Informatie structuur, communicatie en leerprocessen

Stel je voor dat je een grote doos hebt met drie kanten, net als een kubus. Deze doos noemen we de I-Space, wat staat voor “Informatie Ruimte”. In deze doos kunnen we verschillende soorten kennis en informatie opbergen.

De drie kanten van de doos staan voor drie belangrijke dingen:

  1. Hoe duidelijk de informatie is (codificatie)
  2. Hoe makkelijk je het kunt begrijpen (abstractie)
  3. Hoe snel je het met anderen kunt delen (verspreiding)

Neem bijvoorbeeld het leren fietsen.

  • Als je net begint met fietsen, is het moeilijk uit te leggen hoe je het doet. Dit is kennis die niet duidelijk is, moeilijk te begrijpen en niet makkelijk te delen.
  • Als je beter wordt in fietsen, kun je het misschien uitleggen aan een vriend. Nu wordt de kennis duidelijker, makkelijker te begrijpen en je kunt het delen met anderen.
  • Als een expert een boek schrijft over fietsen met plaatjes en uitleg, wordt de kennis heel duidelijk, makkelijk te begrijpen voor iedereen en kan het snel gedeeld worden met veel mensen.

Max Boisot zei dat kennis op deze manier verandert en beweegt in de I-Space doos. Het begint vaak als iets dat moeilijk uit te leggen is (zoals wanneer je net leert fietsen) en uiteindelijk iets wordt dat iedereen kan leren en begrijpen (zoals een fietshandboek).

Dit helpt ons te begrijpen hoe we kennis kunnen delen en gebruiken, of het nu gaat om fietsen, schoolvakken of zelfs geheimen die we alleen met onze beste vrienden delen!

De sociale leercyclus (Social Learning Cycle of SLC) in Max Boisot’s I-Space model beschrijft hoe kennis zich ontwikkelt en verspreidt binnen een sociale context.

  1. Scannen: Dit is waar het allemaal begint. Mensen verzamelen informatie uit hun omgeving en proberen er patronen in te ontdekken. Het is als het zoeken naar puzzelstukjes in een grote bak met informatie.
  2. Probleemoplossing: Nu gaan mensen de verzamelde informatie gebruiken om problemen op te lossen. Ze geven structuur aan de inzichten die ze hebben opgedaan. Dit is vergelijkbaar met het in elkaar zetten van de puzzelstukjes om een duidelijker beeld te krijgen.
  3. Abstractie: In deze fase worden de nieuwe inzichten breder toepasbaar gemaakt. De kennis wordt meer algemeen en kan in verschillende situaties worden gebruikt. Het is alsof je van de specifieke puzzel een algemeen principe leert dat je ook voor andere puzzels kunt gebruiken.
  4. Verspreiding: Nu wordt de nieuwe kennis gedeeld met anderen. De inzichten worden in een gecodeerde en abstracte vorm verspreid naar een doelgroep. Dit is als het uitleggen van je nieuwe puzzeltechniek aan vrienden.
  5. Absorptie: In deze fase gaan mensen de nieuwe kennis toepassen in verschillende situaties. Door het te gebruiken, wordt de kennis ‘ongecodeerd’ of ’taciet’ – het wordt een natuurlijk onderdeel van hoe mensen dingen doen. Het is als het oefenen met je nieuwe puzzeltechniek totdat het vanzelfsprekend wordt.
  6. Impact: Tot slot wordt de abstracte kennis concreet toegepast in de praktijk. Het kan zich uiten in voorwerpen, regels of gedragspatronen. Dit is wanneer je puzzeltechniek zo natuurlijk is geworden dat je hem zonder nadenken toepast en zelfs anderen ermee helpt.

Deze cyclus laat zien hoe kennis evolueert van iets vaags en persoonlijks naar iets concreets en wijd verspreid, en vervolgens weer terug naar iets persoonlijks maar nu als vanzelfsprekende vaardigheid. Het helpt ons te begrijpen hoe kennis zich ontwikkelt en verspreidt binnen organisaties en samenlevingen.

Het model relateert verschillende institutionele vormen aan de manier waarop informatie en kennis worden beheerd binnen organisaties en samenlevingen:

  1. Fiefs (Leenstelsels):
    • Lage codificatie en abstractie van informatie
    • Beperkte verspreiding van informatie
    • Gepersonaliseerde relaties en hiërarchische structuur
    • Informatie en kennis zijn geconcentreerd bij enkele individuen
  2. Clans:
    • Relatief ongecodificeerde en concrete informatie-uitwisseling
    • Informatie wordt verspreid binnen de groep, maar niet breed daarbuiten
    • Diepe sociale inbedding en op vertrouwen gebaseerde relaties
    • Impliciete en vloeiende dynamiek van informatiedeling
  3. Bureaucratieën:
    • Hoge codificatie en abstractie van informatie
    • Beperkte en centraal gecontroleerde verspreiding van informatie
    • Onpersoonlijke en hiërarchische relaties
    • Onderwerping aan bovengeschikte doelen
    • Geen noodzaak om waarden en overtuigingen te delen
  4. Markten:
    • Hoge codificatie en abstractie van informatie
    • Brede verspreiding van informatie
    • Onpersoonlijke relaties gebaseerd op gestandaardiseerde transactienormen

 Stel je voor dat je verschillende soorten clubs hebt op school. Hoe werken deze clubs met informatie en kennis:

  1. De Geheime Club (Fiefs):
    • Deze club heeft geheimen die maar weinig mensen kennen.
    • Ze vertellen hun geheimen niet aan veel mensen.
    • De baas van de club beslist wie wat mag weten.
  2. De Vriendenclub (Clans):
    • In deze club delen vrienden informatie met elkaar.
    • Ze vertellen dingen niet snel aan mensen buiten de groep.
    • Iedereen vertrouwt elkaar en helpt elkaar.
  3. De Schoolclub (Bureaucracies):
    • Deze club heeft veel regels en instructies op papier.
    • Niet iedereen krijgt alle informatie, alleen wat ze nodig hebben.
    • Er is een duidelijke baas die beslissingen neemt.
  4. De Ruilclub (Markets):
    • In deze club weet iedereen veel over wat er geruild wordt.
    • Informatie wordt met iedereen gedeeld.
    • Je hoeft geen vrienden te zijn om mee te doen, alleen de regels volgen.

Max zegt dat de manier waarop deze clubs met informatie omgaan, bepaalt hoe ze werken en groeien. Bijvoorbeeld, de Vriendenclub kan veranderen in een Schoolclub als ze meer regels gaan opschrijven. Ook als een club eenmaal op een bepaalde manier werkt, blijven ze vaak op die manier werken en informatie blijven delen. Dit idee helpt ons begrijpen waarom verschillende groepen, zoals scholen, bedrijven of zelfs landen, op hun eigen manier met informatie omgaan en samenwerken.

Het geeft een interessante kijk op hoe complexiteit kan worden beheerd door informatie te structureren:

  1. Complexiteit kan worden gereduceerd door informatie te ordenen op basis van codificatie (mate van structurering), abstractie (mate van algemeenheid) en manipulatie (aanpasbaarheid). Dit creëert een conceptueel raamwerk om complexe informatie beter te beheersen.
  2. Verschillende institutionele vormen (fiefs, clans, bureaucratieën, markten) hebben verschillende manieren om met complexiteit om te gaan, gebaseerd op de manier waarop informatie wordt gecodificeerd, geabstraheerd en verspreid.
  3. Decentralisatie kan helpen bij het beheren van complexiteit door lokale flexibiliteit, autonomie en controle te bieden. Echter, decentralisatie kan ook leiden tot hogere complexiteit door meer betrokken partijen en coördinatieproblemen.
  4. Veel complexiteit wordt door mensen zelf gecreëerd door ingewikkelde regels, procedures en interactiepatronen. Daarom is het belangrijk om complexiteit te reduceren tot de essentie en eenvoud na te streven in organisaties.
  5. Accepteren dat iets complex is, is de eerste stap. Daarna kan complexiteit worden gereduceerd door dialoog en samenwerking met anderen die op andere manieren complexiteit reduceren.

Complexiteit kan niet worden weggemoffeld, maar moet worden onderkend, gestructureerd en gemanaged. Dit vereist het vermogen om informatie te ordenen, institutionele vormen aan te passen en samen te werken met anderen.

De introductie van (persoonlijke)A.I. technologieën opent nieuwe mogelijkheden om informatie op verschillende niveaus van abstractie, codificatie op afstand (diffusie) met elkaar te delen.